Home
Publicaties
Archief
Archief op jaar Archief op onderwerp
Aanmelden
Over dit blog

Aantekeningen in de Marge

Home
Publicaties
Archief
Archief op jaar Archief op onderwerp
Aanmelden
Over dit blog

A striking miner faces a line of police at the Orgreave coking plant during the miners’ strike, June 1984. Photograph/ Don McPhee/The Guardian

Brexit: Stuiptrekking van een land zonder Imperium

Het is inmiddels tien jaar geleden dat de Britten via een referendum besloten uit de EU te zullen treden. Ruim vier jaar later hebben ze, na lang delibereren en onderhandelen, daadwerkelijk de stekker eruit getrokken volgens een scenario waarin alle banden zoveel mogelijk werden doorgesneden. Nu, vijf jaar nadat de feitelijke handelsbarrières per 1 januari 2021 van kracht werden, lijkt het erop dat de Britten zich met de Brexit geen plezier hebben gedaan. Ik heb er tot een jaar of twee geleden uitgebreid over bericht.

De rode draad in de relatie van het Verenigd Koninkrijk met de Europeanen binnen de Europese Gemeenschap respectievelijk Europese Unie, staat in het teken van het verlies van de status en macht na de stelselmatige ontmanteling van het Britse Rijk na de oorlog en, als we heel eerlijk zijn, ook al daarvoor. Het heeft een grote invloed op de wijze waarop de Britten zich verhouden tot de buitenwereld en hoe hun economie permanent belast wordt met de gevolgen daarvan.

Om dit beter te begrijpen is het nodig de afgelopen eeuw tegen het licht te houden. Inzicht hierin draagt bij aan een beter begrip van de omstandigheden, wat mogelijk ook weer helpt het pad naar een constructieve uitkomst te vinden. In dit artikel richt ik me vooral op de historische achtergronden.

Verlies van een wereldrijk

Tot na de Eerste Wereldoorlog was het VK onbetwist het machtigste land op aarde, met een rijk dat 24% van de totale landmassa van de wereld besloeg, een kwart van de wereldbevolking huisvestte en zich uitstrekte over alle continenten.

Map of the British Empire shortly before the outbreak of World War II

Toch is de kiem voor het streven naar zelfbestuur en latere onafhankelijkheid al in de loop van de negentiende eeuw gelegd in Ierland, in de achtertuin van wat toen nog de ‘United Kingdom of Great Britain and Ireland’ heette. Vanaf 1860 werd in steeds nadrukkelijker bewoordingen en met instemming van steeds meer Ieren de druk voor het verkrijgen van zelfbestuur opgevoerd. In eerste instantie ging het daarbij om zeggenschap over binnenlandse aangelegenheden, binnen een constitutioneel verband met centraal gezag (in Westminster) over Rijkszaken. Uiteindelijk bleek dat niet genoeg, wat in 1921 eerst leidde tot de scheiding tussen Zuid- en Noord-Ierland, en eind 1922 tot het uittreden van (Zuid-)Ierland uit het Verenigd Koninkrijk. Intussen hadden Canada, Australië, Nieuw-Zeeland, Newfoundland en Zuid-Afrika (alle ‘witte’ koloniën’) ‘dominion’-status gekregen, dat wil zeggen dat ze als autonome gebiedsdelen werden beschouwd binnen het Britse Rijk.

Tegelijkertijd werd ook in het VK aan de poten gezaagd van het kolonialisme. John Hobson, een sociaalliberale econoom, betoogde in zijn boek, ‘Imperialism: A study’ (1902), dat het imperialisme niet de belangen van de Britse natie diende, maar die van een kleine financiële elite. Het plantte zaadjes in marxistisch-socialistische kring en voorzag nationalisten in Azië en Afrika van inspiratie om het koloniale bestuur te weerstaan.

Ook in India waren ze er vroeg bij. Wat in 1885 begon als een loyalistische petitiebeweging van de Indiase elite, die betere vertegenwoordiging zocht binnen het Britse systeem, ontwikkelde zich na de Eerste Wereldoorlog een harde eis om zelfbestuur. India had 1,5 miljoen soldaten geleverd aan de strijd en daar moest iets tegenover staan. Beloften van zelfbestuur werden slechts beperkt en met grote traagheid en tegenzin nagekomen. Dit resulteerde in protesten en opstand (niet alleen in India, maar ook elders waar soortgelijke beloften verbroken werden) die door de Britten steeds krachtiger, agressiever en nietsontziender werden bestreden. Dit werkte averechts. Gandhi slaagde er met zijn acties van geweldloos verzet in India en ver daarbuiten, de PR-strijd tegen het Britse imperialisme te winnen en het Indiase volk achter zich te verenigen.

Tweede Wereldoorlog en daarna

Het duurde echter tot in en vooral na de Tweede Wereldoorlog voor er wezenlijke veranderingen kwamen.

Katalysator hiervoor was het door de VS en het VK in augustus 1941 opgestelde ‘Atlantic Charter’’ dat in acht krachtige punten de principes schetste voor een vreedzame wereldorde na afloop van de Tweede Wereldoorlog. Het derde punt daarvan is in dit kader het meest relevant:

‘They respect the right of all peoples to choose the form of government under which they will live; and they wish to see sovereign rights and self-governance restored to those who have been forcibly deprived of them’

De lezing die hieraan werd gegeven verschilde aan beide kanten van de Atlantische Oceaan. De Amerikanen lazen hierin, naarmate de oorlog langer duurde en zij hier zelf in betrokken raakten, in toenemende mate een universeel zelfbeschikkingsrecht; de Britten bleven erbij dat het alleen toekwam aan de door Duitsland bezette naties.

De geest was nu echter uit de fles, de Britten stonden in toenemende mate met de rug tegen de muur en de bewoordingen van het Atlantic Charter keerden zich steeds meer tegen hen. Anders dan andere koloniale mogendheden als Frankrijk en Nederland, kampten de Britten met een enorme oorlogsschade, en de nationale schuld bedroeg in 1946 250% van het bbp. Deze omstandigheden dwongen de Britten ertoe in 1947 India ‘op te geven’. De druk was te groot en de middelen om dit enorme (sub)continent te beheersen, waren te beperkt.

Dit nam niet weg dat de Britten in andere delen van hun imperium hun militaire aanwezigheid bleven onderhouden en soms met man en macht ‘het communistische gevaar’ bestreden. Een kostbare zaak, maar vanuit het perspectief van het toenmalige politieke leiderschap kennelijk gerechtvaardigd en noodzakelijk. Waar de Duitsers de door hen ontvangen Marshall Plan-hulp aanwendden om hun industrie te moderniseren en de economie te herstructureren, kozen de Britten voor een totaal ander pad. In plaats van het doorvoeren van een broodnodige industriële modernisering, ‘investeerden’ zij in het kunstmatig hoog houden van het Britse Pond, het onderhouden van hun militaire aanwezigheid in het Midden-Oosten, Azië en de Caraïbische eilanden, en de invoering van sociale programma’s (NHS, welvaartstaat en woningbouw), Een tragisch geval van ‘keeping up appearances’, zowel extern als intern. Het orkest speelde door, terwijl de boel evident aan het instorten was. Dit alles had in het beste geval een remmende werking op het verlies van koloniën, maar ondermijnde ook de Britse wederopbouw, het concurrerende vermogen van hun industrie (verouderd en door het hoog houden van het Britse Pond te duur); het was vooral een onjuiste inschatting van de politieke realiteit en noden van die tijd.

Dekolonisatie

Hoewel al in 1945 het zelfbeschikkingsrecht van landen in het VN-handvest was opgenomen, duurde het nog geruime tijd voordat daar werkelijk uitvoering aan werd gegeven. De belangen van de kolonisator en de overheerste gebieden waren tegengesteld, maar de koloniën (zelf immers geen lid van de VN) hadden geen zelfstandige rechtstreekse ingang deze rechten af te dwingen. Het leidde tot langdurige en vaak zeer gewelddadige conflicten. Pas in 1960, in het heetst van de Koude Oorlog, werd een door de Sovjet-Unie ingebrachte resolutie aangenomen die specifiek stelde dat het onthouden van zelfbeschikking in strijd is met de mensenrechten. Hoewel de VS hier niet tegen was, onthield zij zich van stemming om haar koloniale bondgenoten niet (al te veel) tegen het hoofd te stoten. Daarna ging het snel; feitelijk betekende dit het definitieve einde van koloniale macht, uitbuiting en inkomsten. Een andere tegenvaller voor de Britten was dat de voormalige koloniën zich na uittreding economisch meer en meer gingen oriënteren op economieën buiten het Britse Commonwealth. De dekolonisatie heeft daarnaast een vloedgolf aan immigranten opgeleverd. In een enge benadering wordt aangenomen dat 6% van de Britse bevolking in 2021 afkomstig is uit en geboren in de voormalige koloniën. De brede benadering, inclusief tweede en derde generatie op basis van etniciteit), komt uit op ongeveer 16%. Ter vergelijking: vóór 1948 was 99,8% van de bevolking ‘wit-Brits’, bij de volkstelling van 2021 was dat nog slechts 74,4% (Aziatisch Brits 9,3%, zwart-Brits 4% en gemengd-Brits 2,9%).

De prijs die het VK moest betalen voor de mede door haar inzet en volharding gewonnen oorlog was hoog: torenhoge schulden, een kapot land, een desintegrerend imperium, teruglopende inkomsten uit koloniën, demografische uitdagingen en een stagnerende wederopbouw. Het VK kwam steeds verder klem te zitten. Zonder de oorlog was het zeker niet (zo snel) zover gekomen.

Toetreding EEG

Opeenvolgende Britse regeringen zagen toetreding tot de (toen nog) EEG als de enige kans op het aanboren van nieuwe markten en het meeliften op het economische succes van de gemeenschappelijke markt. In relatief recordtempo waren de oprichtende landen van de EEG erin geslaagd economisch orde op zaken te stellen en de levensstandaard van hun burgers, ondanks (of wellicht wel dankzij) grote offers, naar een hoger te plan te brengen. Het hielp daarbij niet dat twee eerdere pogingen om toe te treden, in 1963 en 1967, door de Franse president De Gaulle werden tegengehouden.

In de jaren voorafgaande aan toetreding presteerde het VK in de zo belangrijke periode van de naoorlogse wederopbouw, structureel slechter dan de landen in de EEG. Dit werd gedreven door lage productiviteit, economische groei en investeringen, maar ook de gespannen arbeidsverhoudingen en zwak bestuur, afnemend industrieel concurrentievermogen en herhaaldelijke betalingsbalanstekorten met enorme implicaties voor het Britse Pond speelden hierin een belangrijke rol. Deze interne omstandigheden hadden in de periode 1950-1973 in vergelijking met de EEG-landen een remmende werking op de groei van de Britse economie: waar bijvoorbeeld het bbp in het VK in 1950 per hoofd van de bevolking nog 79% hoger was dan in West-Duitsland, waren de Duitsers in 1973 de Britten voorbijgestreefd.

Interessant is de vraag waarom de Britse beleidsmakers dachten dat toetreding tot de EEG deze interne en structurele problemen zouden kunnen oplossen. Het antwoord is niet helemaal duidelijk, maar een veel genoemde verklaring is dat gedacht werd dat de toetreding zou zorgen voor economische druk (interne concurrentie) en kansen (groot marktpotentieel zonder tariefmuren) om het VK in staat te stellen zichzelf te herstellen.

Wat heeft de toetreding de Britten opgeleverd?  Dat beeld is zeer divers. Vooral de financiële en daaraan gerelateerde sectoren hebben uiteindelijk garen gesponnen bij de toetreding tot de gemeenschappelijke markt. Een vrije kapitaalmarkt (1979), deregulering van de Londense effectenbeurs (1986), en de invoering van het Europese (financiële) paspoort (1993), waardoor in het VK gevestigde banken automatisch toegang hadden tot de Europese markt, gaven hier belangrijke impulsen voor. Londen werd de springplank voor buitenlands kapitaal in de EU.

Daarnaast hebben ook de kennisintensieve industrieën (chemie en farma) en machinebouw baat bij de toetreding gehad. De combinatie van een krachtige researchbasis (OxBridge) en kapitaal zijn voor deze sectoren van doorslaggevende betekenis geweest. Zonder het lidmaatschap van de EU was het voor deze sectoren een stuk lastiger geweest zich zo krachtig en succesvol te ontwikkelen.

De problemen die de Britten voor toetreding parten speelden, bleven na toetreding echter onverminderd aanwezig. Hoop is geen strategie en de verwachting dat het VK door toetreding concurrerender zou worden was, bij gebrek aan een plan hoe de hiervoor genoemde kernproblemen echt aan te pakken, een illusie.

Neoliberale koers

Pas toen Thatcher (premier 1979-1990) een compleet nieuwe (neoliberale) koers inzette begonnen ook andere sectoren zich positief te ontwikkelen. Hiervoor werd de macht van de vakbonden gebroken (die het land feitelijk onbestuurbaar maakte), werden staatsbedrijven geprivatiseerd, product- en kapitaalmarkten gedereguleerd en subsidies aan verlieslatende sectoren stopgezet. Dit werkte, totdat bleek (maar dat was pas veel later) dat het niet (voor iedereen) werkte:

  • Het gebrek aan een serieuze arbeidsvertegenwoordiging heeft verstrekkende en blijvende consequenties gehad. Door de sluiting van bedrijven in juist die sectoren waarin de vakbonden sterk en arbeiders talrijk waren, ontstonden hele gebieden met grote werkloosheid waarvoor geen alternatieven georganiseerd werden. Sinds 1960 gingen er ca. 6 miljoen banen verloren, waarvan 4,5 miljoen sinds 1979. Niemand voelde zich geroepen in het daardoor ontstane maatschappelijke gat te springen; ook New-Labour niet toen zij aan de macht kwamen (1997-2010). Dit had grote gevolgen voor de (geestelijke) gezondheid en levensverwachting in betreffende gebieden, maar ook voor volgende generaties die in armoede en uitzichtloosheid opgroeiden.

  • Vrijwel alle geprivatiseerde bedrijven van toen, met uitzondering van British Airways, zijn nu hetzij failliet, overgenomen door buitenlandse investeerders, of door falend toezicht disfunctioneel dan wel zwaar vervuilend.

De maatschappelijke kosten voor de Britse maatschappij van deze vorm van neoliberalisme waren en zijn enorm. Belangrijk is ook de constatering dat tussen 1979 en 1996 de Britse regering de berekening van de werkloosheid keer op keer aanpaste om de cijfers (naar beneden toe) te beïnvloeden. Artsen werden aangemoedigd werkloze patiënten waar mogelijk te diagnosticeren met ziekten of blessures die voortkwamen uit hun vroegere werk. Het aantal werklozen en arbeidsongeschikten in het VK bedraagt per eind april meer dan 4,5 miljoen mensen (dit is ca. 12,4% van het aantal werkenden, werklozen en arbeidsongeschikte mensen in de leeftijd 16-64 jaar). Hoewel dit aantal relatief vergelijkbaar is met bijvoorbeeld Nederland, is het sociale vangnet in het VK – op 12,5% van het gemiddelde inkomen (in Nederland ligt het laagste uitkeringsniveau op 60%) – volstrekt ontoereikend. Zelfs de Elizabethaanse armenwet van 1601 schijnt relatief genereuzer te zijn geweest.

De gevolgen van het beleid van Thatcher zijn ook terug te zien in een enorme toename van de inkomensongelijkheid: de Gini-coëfficiënt steeg van 0,25 in 1979 naar 0,34 in 1991; een van de snelste stijgingen van inkomensongelijkheid ooit gemeten in een rijke democratie.

De negatieve balans overheerst, maar de koloniale erfenis kent ook onbedoelde en blijvende positieve aspecten. Na de oorlog kampte het VK met een sterk teruggelopen arbeidspotentieel. Naast de slachtoffers van de oorlog zelf (bijna 2% van de toenmalige bevolking), verlieten 1,5 miljoen Britten het land om hun geluk elders te zoeken. Dit verlies is voor een belangrijk deel opgevangen door immigratie uit de Britse Commonwealth. Tot op de dag van vandaag draait de NHS bijvoorbeeld voor een belangrijk deel op de instroom van personeel van buiten het VK.

Een minder tastbaar, maar voor de positie van het VK daarom niet minder belangrijk aspect is dat mede door de grote omvang van het Britse Rijk, Engels de universele (handels)taal is geworden. Voor de uitbouw van haar positie als centrum van financiële dienstverlening en onderwijs, is dat van onschatbare waarde.

Ook heeft het verlies van haar koloniën het VK bevrijd van de zware militaire en bestuurlijke lasten die de instandhouding van een dergelijk wereldomspannend rijk met zich meebrachten. Tot slot blijkt dat de eerder genoemde immigratie uit Commonwealth-landen geleid heeft tot een op langere termijn disproportioneel grote bijdrage aan ondernemerschap, wetenschap en culturele industrie. Migranten in het VK richten 1,5 keer zo waarschijnlijk een bedrijf op als in het VK geboren burgers.

Deze positieve gevolgen zijn echter geen resultaat van actief overheidsbeleid, maar een structurele erfenis van het imperiale systeem en verleden.

‘Het is de schuld van de EU’

Het ongenoegen dat in de veertig jaar na toetreding tot de EU door uitsluitend interne en structurele omstandigheden is opgebouwd, is vervolgens in de aanloop naar het Brexit referendum door nationalistisch-conservatieve krachten geëxploiteerd om een anti-Brussels sentiment te voeden. De almacht van de EU zou de verklaring zijn voor het economische en sociale malheur dat de Britten ten deel was gevallen. Onder druk van deze krachten vond uiteindelijk het Brexitreferendum plaats. De uitkomst hiervan is voor een belangrijk toe te schrijven aan een tweetal perceptiebepalende invloeden.

In de eerste plaats is dat de rol van de media. In het parlementaire onderzoek naar mediapraktijken (Leveson Inquiry -2012) werd al geconstateerd dat in delen van de pers het wereldbeeld van een krant prevaleerde boven de nauwkeurigheid van het verhaal. Gedocumenteerd zijn de ‘euromythen’ (drie decennia aantoonbaar onjuiste berichtgeving over EU-beleid) en het zondebok-mechanisme (binnenlandse beleidsproblemen toeschrijven aan de EU). Bij de tabloids, met name The Sun en Daily Express, is de redactionele lijn consistent en aantoonbaar selectief en EU-sceptisch.

Een ander aspect is het verschil tussen rechtsstelsels: Common Law (Brits) en Civiel Recht (EU/Continentaal). Twee stelsels die fundamenteel van elkaar verschillen in de wijze van juridische redenering, rechtsontwikkeling en de verhouding tussen wetgever en rechter. Juridische houvasten ontbraken aanvankelijk en er was wel degelijk sprake van een constitutionele schok. Voorafgaande aan de toetreding is dit in het geheel geen onderwerp van debat geweest. Voor de ‘gewone’ ondernemende en in-/exporterende Brit moet dit zonder meer een uitdaging zijn geweest; echter na bijna 50 jaar lidmaatschap van de EU, mag dit toch uiteindelijk geen doorslaggevend argument voor een Leave-stem zijn. Handel zonder EU is altijd lastiger dan met.

Het is vooral de hardline-factie rond Rees-Mogg, Raab en Gove geweest die hamerde op het soevereiniteitsargument: de onverteerbare suprematie van EU-recht over nationale wetgeving. Het werd gepresenteerd als een alles overheersend bezwaar, wat uiteindelijk ook leidde tot een tot het bot uitgekleed handelsakkoord. Exporterende ondernemers zullen (inmiddels) bevestigen dat het ondernemerschap binnen de EU met de in het VK zo vervloekte bureaucratie en suprematie van EU recht, beter is dan erbuiten. De realiteit was dat het Europese Hof van Justitie alleen actief was op het terrein van de handelsnormen, werknemersrechten en milieurechten. Dit zijn geen van alle terreinen waar het EU-recht de soevereiniteit van het VK existentieel bedreigde.

Tot slot

Zoals uit het bovenstaande blijkt is er geen éénduidige verklaring te geven voor het sentiment dat tot Brexit leidde. Er zijn vele factoren die zowel individueel, maar vooral als stapeling brandstof gaven aan een sentiment dat het VK geen toekomst (meer) had in de EU. Het meest in het oog springt echter dat de meeste, zo niet alle, factoren helemaal niets met de EU als zodanig te maken hadden. De problemen waar het VK mee kampte waren intern en structureel. Dekolonisatie, de-industrialisatie, vakbondsontmanteling, geprivatiseerde nutsbedrijven die faalden, uitkeringen die tot onder het bestaansminimum zakten, immigratie vanuit gedekolonialiseerde Commonwealth-landen: geen van deze factoren heeft ook maar iets met de werking en invloed van de EU te maken. Toch vormden deze factoren een decennia geaccumuleerd reservoir voor ongenoegen in juist die Britse gemeenschappen die het minst van het EU-lidmaatschap hadden geprofiteerd. In dit verband is het ook een ironische paradox dat een van de weinige sectoren die echt geprofiteerd heeft van de toetreding tot de EU, de financiële sector, door de uittreding pas echt concurrentie gekregen heeft vanuit Frankfurt, Parijs, Dublin en Amsterdam.

De Leave-campagne putte niet uit feitelijke analyse, maar uit emotionele herkenning: Take Back Control resoneerde omdat de ervaring van controleverlies – over imperium, werk, gemeenschap, levensstandaard – reëel was, ook al was de EU niet de oorzaak.

Rees-Mogg c.s. benutten vervolgens de referendumuitslag voor een harde Brexit, die nooit aan de kiezers was voorgelegd, met een nostalgisch beroep op soevereiniteit dat de economische realiteit systematisch negeerde. Het resultaat was een uitkomst die werd doorgedrukt door de winnaars van het Thatcher-tijdperk, met de stemmen van hen die daar het zwaarst onder hadden geleden.

Older:FIFA: eens corrupt ...
PostedJuly 11, 2026
AuthorMark Goudsmit
CategoriesBrexit, Economie, Europa, European Union, Governance, Internationaal, Liberalisme, Politiek
TagsBrexit, Britse Rijk, British Imperium, WWI, WWII, kolonisatie, dekolonisatie, neoliberalisme, mijnwerkers, Thatcher, Rees Mogg