De General Government Performance Index (GGPI) is een door mij ontworpen index die inzicht tracht te geven in de relatie tussen door overheden geleverde prestaties die relevant zijn voor burgers (maatschappelijke opbrengst) en de lasten die samenhangen met het leveren van die prestaties (publieke lasten).

De GGPI is gebaseerd op onderzoeken van derden zoals de Social Progress Index (dat op basis van 53 verschillende datapunten meet in welke mate in elk van de 133 onderzochte landen, wordt voorzien in menselijke basisbehoeften, welzijn en kansen van burgers),  het Global Competitiveness Report (waaruit de bevindingen op het gebied van infrastructuur zijn overgenomen) en de Worldwide Governance Indicators (die zes verschillende dimensies van overheidsbestuur in kaart brengt en beoordeelt). Deze elementen vormen tezamen de basis van de prestatie of ‘output’ variabele van de GPPI: maatschappelijke prestaties van overheidsbeleid. De lasten of ‘input’ variabele is zowel gebaseerd op het beslag dat overheden leggen op het nationale inkomen om hun beleid te financieren (circa twee jaar voorafgaande aan de gemeten uitkomsten van dat beleid), als op de laatst bekende staatsschuld per 31 december voorafgaande aan de GGPI over enig jaar. Door de 'output' en 'input' variabele tegen elkaar af te zetten, kan vastgesteld worden of het beslag op de publieke middelen een meerwaarde heeft opgeleverd in termen van voor burgers relevante opbrengsten (een uitkomst boven de 100) dan wel of dat dit niet het geval is geweest (uitkomst onder de 100).

Onderstaande (interactieve) kaart laat de uitkomsten zien voor 2016 waarbij een score hoger dan 100 aangeeft dat de betreffende overheid in relatieve zin meer voor burgers relevante prestaties heeft geleverd, dan dat zij beslag heeft gelegd op publieke middelen en/of schulden is aangegaan. 

De GGPI is bedoeld om te laten zien hoe, ongeacht de omvang van de in een land voor overheidshandelen beschikbare middelen, keuzes rond de besteding van publieke middelen zich vertalen in voor burgers relevante prestaties. Hierdoor wordt het mogelijk vast te stellen in welke mate die keuzes een beleid hebben opgeleverd dat ten opzichte van andere landen succesvol is geweest. Het is dus een index die de kosten en opbrengsten van overheidshandelen en -nalaten meet, weegt en onderling vergelijkbaar maakt. Meer informatie over achtergrond, opzet en methodologie van de index is te lezen op: Achtergronden, opzet en methodologie van de General Government Performance Index.

De GGPI ranking voor 2016 ziet er als volgt uit (blauw: opbrengsten overtreffen lasten, oranje: lasten overtreffen opbrengsten)

Chili staat wederom bovenaan. Hoe slaagt zij daarin? Chili blijkt met een beperkt beslag op het bruto binnenlands product (23,5%) en met een geringe staatsschuld (17,1% van het bruto binnenlands product, bbp), een relatief redelijke voor burgers relevante maatschappelijke opbrengst te genereren (ze behoort wereldwijd tot de 30% best presterende landen op dit vlak). Het 'spaarzame' overheidsbeleid in samenhang met de goede uitkomsten op het vlak van voor burgers relevante prestaties, levert Chili de hoogste klassering op. Tegelijkertijd illustreert dit voorbeeld dat het betrekkelijk weinig zegt over de prestaties op de individuele componenten van de Index, Maatschappelijke Opbrengst respectievelijk Publieke Lasten.

Om dit duidelijk te maken is het, voor een beperkt aantal geselecteerde ontwikkelde economieën, wel zo interessant om deze elementen nader te belichten:

Als we deze uitkomsten in een grafiek tegen elkaar afzetten, komen ze overigens het best tot leven. Dan blijkt pas hoe groot de verschillen tussen landen eigenlijk zijn en tekenen zich ook clusters af, met ieder zo zijn eigen specifieke issues en dynamiek. In onderstaande grafiek zijn de uitkomsten van de GGPI 2016 (aangeduid met ◆) vergeleken met die van twee jaar daarvoor, de GGPI 2014 (aangeduid met ◼). Hiermee kan inzicht worden verkregen in de richting waarin het beleid zich ontwikkeld heeft.

Nederland levert, na Zwitserland, de hoogste voor burgers relevante maatschappelijke opbrengsten. Door de dichtheid aan politieke partijen en het daarbij behorende uitlichten van verschillen in ons land, bestaat weleens de neiging dat uit het oog te verliezen (zie mijn meest recente blog: De staat van Nederland: wint de perceptie het van de feiten?). Dit gaat overigens nog steeds samen met een behoorlijk (te?) hoog beslag op het totale door Nederland als land gegenereerde bbp.

Nederland heeft zich de afgelopen jaren verbeterd ten opzichte van de eerste meting in 2014. Naast het inlopen van de achterstand op Zwitserland in termen van de maatschappelijke opbrengst van overheidsprestaties (wat gelet op de hoge positie in zich al een bijzonder resultaat is), is de regering er in beperkte mate in geslaagd het beslag dat de overheid legt op het bbp, en daarmee de economie, te verminderen.

De uitkomsten van de GGPI laten duidelijk zien dat een hoge waarde van voor burgers relevante prestaties van overheidsbeleid zeer goed samengaan met een relatief lager beslag op de publieke middelen. Zwitserland, Zweden, Finland, Denemarken en de landen in Oceanië zijn hier een goed bewijs van. Andersom blijkt dit een stuk lastiger te zijn. België, Frankrijk, Italië en Spanje doen het ronduit slecht in de Index. Deze overheden laten het zowel afweten in termen van het leveren van voor burgers relevante prestaties als in het in de hand houden van overheidsbestedingen. Het zijn juist deze landen die op grote schaal uit de bocht vliegen als het gaat om begrotingsdiscipline.

Nederland zal haar investeringen in de kwaliteit van de overheidsprestaties dienen te koesteren, maar waar mogelijk moeten optimaliseren. De overheid zal meer als regisseur moeten optreden en minder als (eigen) uitvoerder. Gelet op de volatiliteit van de globale economie, de lage groei en de vele geopolitieke onzekerheden is het echter ook noodzakelijk weerstand op te bouwen. Aangezien uit de GGPI blijkt dat een lager beslag op de overheidsfinanciën geenszins hoeft te betekenen dat de kwaliteit van de overheidsprestaties lager is, zal het verlagen van het beslag dat de overheid op de economie legt prioriteit dienen te hebben en zal gestreefd dienen te worden naar zowel het verlagen van de staatsschuld als het verder terugdringen van de omvang van de overheidsfinanciën als percentage van het bbp.

Posted
AuthorMark Goudsmit